english | nederlands

RC 95 Liebesklage (“Ist alles stumm und leer”)

text source

Bettina von Arnim, Die Günderode. Erster Theil (Leipzig: Grünberg 1840), 348-349

first performance

1912-02-12 00:00:00.0 Amsterdam, Concertgebouw / Recitall Hall

dedicatees

recordings

  • Anniversary Edition 5 Et'cetera KTC 1435 CD5

publications

  • Complete Songs for Solo Voice and Piano Vol. 3 Donemus / Alphons Diepenbrock Fonds 20301840
  • Diepenbrock Album B/M Vol. II
  • Liebesklage (“Ist alles stumm und leer”) Alsbach & Co, G. (Amsterdam) 1898808

  • Liebesklage (“Ist alles stumm und leer”)
  • Günderrode, Karoline von
  • mezzosopraan en piano
  • 1908-12-10 00:00:00.0
  • duration 4:05

Op 12 februari 1912 zong de Hongaarse alt/mezzo Ilona Durigo (1881-1943) tijdens een recital in de Kleine Zaal van het Amsterdamse Concertgebouw drie liederen van Diepenbrock: behalve Clair de lune (RC 43) en Mandoline (RC 99) klonk diens nog niet eerder uitgevoerde Ist alles stumm und leer dat hij later Liebesklage zou noemen. De opdracht aan deze zangeres van het in december 1908 gecomponeerde lied dateert vermoedelijk van eind oktober 1910, toen Diepenbrock zich overweldigd voelde door haar kwaliteiten tijdens de voorbereiding en de uitvoeringen van zijn Hymne an die Nacht "Muss immer der Morgen wiederkommen" (RC 50). In een brief aan Balthazar Verhagen noemde Diepenbrock Durigo een bijna goddelijke zangeres en begiftigd met gaven van verstand en stem van allerlei aard. (BD VI:161) Een jaar later, in oktober 1911, bleek Durigo een ideaal vertolkster bij de première van het symfonisch lied Die Nacht (RC 106). …more >

Liebesklage (incipit)


Op 12 februari 1912 zong de Hongaarse alt/mezzo Ilona Durigo (1881-1943) tijdens een recital in de Kleine Zaal van het Amsterdamse Concertgebouw drie liederen van Diepenbrock: behalve Clair de lune (RC 43) en Mandoline (RC 99) klonk diens nog niet eerder uitgevoerde Ist alles stumm und leer dat hij later Liebesklage zou noemen. De opdracht aan deze zangeres van het in december 1908 gecomponeerde lied dateert vermoedelijk van eind oktober 1910, toen Diepenbrock zich overweldigd voelde door haar kwaliteiten tijdens de voorbereiding en de uitvoeringen van zijn Hymne an die Nacht "Muss immer der Morgen wiederkommen" (RC 50). In een brief aan Balthazar Verhagen noemde Diepenbrock Durigo een bijna goddelijke zangeres en begiftigd met gaven van verstand en stem van allerlei aard. (BD VI:161) Een jaar later, in oktober 1911, bleek Durigo een ideaal vertolkster bij de première van het symfonisch lied Die Nacht (RC 106).

Het titelloze gedicht, toegeschreven aan de jong gestorven Karoline von Günderrode (1780-1806),1 beschrijft – net als het in 1902 door Diepenbrock gecomponeerde Kann ich im Busen heisse Wünsche tragen (RC 55) op tekst van deze romantische dichteres – de wanhoop om een verloren liefde. In een brief uit juli 1910 noemt Diepenbrock zijn toonzetting l’art pour l’art, waarmee hij bedoelde:

niet direct uit het leven voortgekomen maar om uiterlijke reden gemaakt, al zit het ook vol van klanken die de weerslag zijn van diep verdriet. Het is afgrijselijk melancholiek, als je het goed zou hooren zingen. (BD VI:339).

Aan deze karakterisering door de componist kan worden toegevoegd dat het statische en introverte karakter van het voornamelijk strofisch behandelde lied nog versterkt wordt door de dynamiek die zich volledig afspeelt tussen p en pp.

Tijdens de concerten van februari 1912 (het programma werd herhaald in Rotterdam, Utrecht en opnieuw Amsterdam) zou Durigo aanvankelijk de twee genoemde Franse liederen combineren met Puisque l’aube grandit (RC 97), maar op suggestie van de zangeres kwam het “schön-trauriges” Ist alles stumm und leer hiervoor in de plaats. (BD VII:311). Diepenbrocks liederen werden gecombineerd met aria’s van Händel en liederen van Richard Strauss. Na de tweede uitvoering in Amsterdam toonde A. de Wal zich in Het Vaderland vooral onder de indruk van het Günderrode-lied:

Sterk Mahleriaansch heeft Diepenbrock de stemming van dit zinrijke gedicht in het klavier en in de zelfstandig daar boven bloeiende zangstem uitgedrukt. Muziek als deze, waarin men de vereenzaamde, de sterk innerlijk levende natuur van de dichter-componist, zijn meesterhand in declamatie en techniek onmiddellijk gevoelt, zou ik zeker nog eens moeten hooren om er veel van te beweren. Meer te beweren dan dat dit lied een sterke impressie op mij maakte. (BD VII:586)

Bij de term ‘Mahleriaans’ is een vraagteken te plaatsen, maar de overige uitspraken van de recensent zijn ook nu nog geldig.

De titel Liebesklage koos Diepenbrock in 1917 tijdens de voorbereiding van de gedrukte uitgave, die in 1918 bij G. Alsbach & Co zou verschijnen, vanwege de afweging: de eerste regel van het vers is als titel te lang en te nietszeggend. (BD IX:261)

1 Volgens de kritische Gesamtausgabe wordt de authenticiteit van dit gedicht in twijfel getrokken; zie Walther Morgenthaler (ed.), Karoline von Günderrode. Sämtliche Werke und ausgewählte Studien. Historisch-Kritische Ausgabe Vol. 3 (Frankfurt/M.: Stroemfeld/Roter Stern 1991), 281.

Désirée Staverman & Ton Braas

 



Liebesklage

Ist alles stumm und leer,
Nichts macht mir Freude mehr;
Düfte, sie düften nicht,
Lüfte, sie lüften nicht,
Mein Herz so schwer!

Ist alles öd und hin,
Bange mein Herz und Sinn,
Wollte, nicht weiß ich was,
Jagt mich ohn' Unterlaß
Wüßt ich wohin?

Ein Bild von Meisterhand
Hat mir den Sinn gebannt.
Seit ich das Holde sah,
Ist's fern und ewig nah
Mir anverwandt.

Ein Klang im Herzen ruht,
Der noch erfüllt den Mut
Wie Flötenhauch ein Wort,
Tönet noch leise fort,
Stillt Thränenflut.

Frühlinges Blumen treu
Kommen zurück auf's Neu;
Nicht so der Liebe Glück!
Ach, es kommt nicht zurück,
Schön, doch nicht treu.

Kann Lieb' so unlieb sein,
Von mir so fern was mein?
Kann Lust so schmerzlich sein,
Untreu so herzlich sein?
O Wonn', o Pein!

Phönix der Lieblichkeit,
Dich trägt dein Fittig weit
Hin zu der Sonne Strahl.
Ach was ist dir zumal
Mein einsam Leid?
 

 
 

 


  • B-8(3) Liebesklage (“Ist alles stumm und leer”)

    • 1
    • 2
    • 3
    • 4
    • 5
    • 6
    • 7
    • 8
    • 9
    • 10
    • 11
    • 12

    B-8(3) dated on the title page 1908

    • 1908-01-01 00:00:00.0 – 1908-12-31 00:00:00.0
    • location: Diepenbrock Archief Laren
    • pages: 12
  • A-85(1) Liebesklage (“Ist alles stumm und leer”)

    semi-autograph A-85(1)

    • location: Diepenbrock Archief Laren
    • pages: unknown
  • B-18(3) Liebesklage (“Ist alles stumm und leer”)

    copy B-18(3)

    • location: Diepenbrock Archief Laren
    • pages: unknown
  • B-18(4) Liebesklage (“Ist alles stumm und leer”)

    semi-autograph B-18(4) dated on the first page 1908; served as Druckvorlage

    • 1908-01-01 00:00:00.0 – 1908-12-31 00:00:00.0
    • location: Diepenbrock Archief Laren
    • pages: unknown
  • B-4(1) Liebesklage (“Ist alles stumm und leer”)

    B-4(1) with dedication on the title page Componirt für Frau Ilona Durigo

    • dedication: Componirt für Frau Ilona Durigo
    • location: Diepenbrock Archief Laren
    • pages: unknown
  • B-7(3) Liebesklage (“Ist alles stumm und leer”)

    semi-autograph B-7(3) with dedication on the title page Ilona Durigo gewidmet

    • dedication: Ilona Durigo gewidmet
    • location: Diepenbrock Archief Laren
    • pages: unknown
  • C-9 Liebesklage (“Ist alles stumm und leer”)

    sketches C-9 dated on the first page 10 Dec 1908

    • 1908-12-10 00:00:00.0
    • location: Diepenbrock Archief Laren
    • pages: unknown

  • click to enlarge

    Anniversary Edition 5

    cd Et'cetera KTC 1435 CD5
    Alexander, Roberta ♦ Jansen, Rudolf ♦ Nes, Jard van ♦ Holl, Robert ♦ Prégardien, Christoph ♦ Pfeiler, Christa ♦ Doeselaar, Leo van ♦ McFadden, Claron ♦ Kuyken, David

    Tracks: 1 = RC 3; 2 = RC 6; 3 = RC 11; 4 = RC 12; 5 = RC 16; 6 = RC 20; 7 = RC 25; 8 = RC 42; 9 = RC 55; 10 = RC 121; 11 = RC 90; 12 = RC 95; 13 = RC 91

  • Complete Songs for Solo Voice and Piano Vol. 3

    1995 Donemus / Alphons Diepenbrock Fonds Staverman, Désirée
  • Diepenbrock Album B/M Vol. II

    1955 Reeser, Eduard
  • Liebesklage (“Ist alles stumm und leer”)

    1918 Alsbach & Co, G. (Amsterdam)

12 feb 1912: Eerste uitvoering van Liebesklage door Ilona Durigo en Evert Cornelis in de Kleine Zaal van het Concertgebouw te Amsterdam. Verder worden gezongen Clair de lune en Mandoline en liederen van Händel en Strauss. Aan dit concert werkt ook de violist Joszka Szigeti mee in werken van Tartini, Bach, Schubert-Wilhelmy en Wieniawsky. Diepenbrocks liederen van zijn aan het slot van het programma geplaatst.

De prachtig-donkere kleur der stem konden we al bij den aanvang in de droefheidsaria Ah mio cor van Händel genieten, maar het genot steeg bij de zangen van Richard Strauss en de Diepenbrock-liederen: van laatstgenoemden toondichter, behalve het reeds bekende en ook uitgegeven Clair de Lune, twee nieuwe (naar ik meen): “Ist alles stumm und leer” (Günderode) en Mandoline (Verlaine), elk in zijn eigen karakter producten van een zeer fijnen geest, na eenmaal aanhooren moeilijk overeenkomstig hun waarde te omschrijven. Günderode's klacht reeds om het eenzaam leed, dat “Wonne und Pein” tevens is, vraagt herlezing eer men tot de juiste waardeering der zeer zuiver in rhythme en toonval gedeclameerde muziek met haar subtiele, niet eenvoudige, verrassende modulaties komen kan. Het gedichtje van Verlaine sprak meer onmiddellijk overtuigend van Diepenbrock's kunst: meesterstukje van muzikale teekening.

Algemeen Handelsblad (S.Z. [= W.N.F. Sibmacher Zijnen]), 13 februari 1912
 

pdf All reviews for RC 95 Liebesklage (“Ist alles stumm und leer”)