english | nederlands

RC 78 Der König in Thule (“Es war ein König in Thule”)

text source

Goethe’s Gedichte Vol. I (Stuttgart: J.G. Cotta 1868), 107-108

first performance

1907-04-21 00:00:00.0 Amsterdam, Concertgebouw
  • Der König in Thule (“Es war ein König in Thule”)
  • Goethe, Johann Wolfgang von
  • alt en orkest
  • 1907-03-29 00:00:00.0
  • duration 4:30

De instrumentatie van de ballades Mignon (RC 12) en Der König in Thule (RC 16), gecomponeerd in respectievelijk 1884 en 1886, vond kort na elkaar plaats: in de maanden februari en maart 1907, op verzoek van de altzangeres Pauline de Haan-Manifarges (zie RC 77). …more >

Der König in Thule (incipit)


De instrumentatie van de ballades Mignon (RC 12) en Der König in Thule (RC 16), gecomponeerd in respectievelijk 1884 en 1886, vond kort na elkaar plaats: in de maanden februari en maart 1907, op verzoek van de altzangeres Pauline de Haan-Manifarges (zie RC 77).

In de orkestrale versie van Der Köning in Thule voeren blazers (hobo, althobo, 2 klarinetten, 2 fagotten, 4 hoorns, 3 trombones en solotrompet) de boventoon. Diepenbrock heeft hun kleurenpalet uitgebuit om Goethes verhalende gedicht te illustreren. Bij de opening van het vierde couplet (“Er saß beim Königsmahle”) accentueert de solotrompet de tekst en in het laatste tussenspel wordt de complete blazerssectie ingezet voor een indrukwekkende climax. Op te merken is nog dat Diepenbrock in de autografe partituur meer aanwijzingen voor de uitvoering geeft dan in de oorspronkelijke versie met piano. Zo laat hij het Sehr ruhig bij aanvang in de orkestversie vergezeld gaan van märchenhaft, traumartig erzählend.

Mevrouw De Haan hield beide liederen op 21 april 1907 ten doop in het Concertgebouw onder Mengelbergs leiding en voerde tijdens hetzelfde concert ook de aan haar opgedragen Hymne an die Nacht  “Muss immer der Morgen wiederkommen” (RC 50) uit, die door Diepenbrock zelf werd gedirigeerd. Te oordelen naar de recensies van het Amsterdamse concert van april 1907 hebben de ballades grote indruk gemaakt op de toehoorders. Ook Diepenbrock zelf spreekt van een succes en laat de zangeres weten:

Het klonk heerlijk. […] De stem was gelukkig ook overal duidelijk te horen, en ik ben heel blij dat je tevreden bent over de instrumentatie. Het is mogelijk dat je bij meer zingen van de liederen je er nog vrijer in zult voelen, evenals Mengelberg als hij ze nog meer dirigeert, maar ik ben er verrukt over en vind dat je de König misschien nog mooier gezongen hebt dan Mignon. Die eerste had iets heel aandoenlijks. (BD V:371)

De componist was vereerd door een voorstel van dirigent Willem Mengelberg om twee van zijn liederen met orkest te programmeren voor een concert door het Franse Orchestre Colonne onder zijn leiding. (BD V:458) Op 3 november 1907 voerde de in Parijs woonachtige Nederlandse bariton Jan Reder met dit orkest de ballade Der König in Thule uit, samen met het in dat jaar door Diepenbrock gecomponeerde en georkestreerde Recueillement, op tekst van Baudelaire (RC 79/80).

Désirée Staverman

 



Es war ein König in Thule
Gar treu bis an das Grab,
Dem sterbend seine Buhle
einen goldnen Becher gab.

Es ging ihm nichts darüber,
Er leert' ihn jeden Schmaus;
Die Augen gingen ihm über,
So oft er trank daraus.

Und als er kam zu sterben,
Zählt' er seine Städt' im Reich,
Gönnt' alles seinen Erben,
Den Becher nicht zugleich.

Er saß beim Königsmahle,
Die Ritter um ihn her,
Auf hohem Vätersaale,
Dort auf dem Schloß am Meer.

Dort stand der alte Zecher,
Trank letzte Lebensgluth,
Und warf den heil’gen Becher
Hinunter in die Fluth.

Er sah ihn stürzen, trinken
Und sinken tief ins Meer.
Die Augen thäten ihm sinken;
Trank nie einen Tropfen mehr.


  • A-60(2) Der König in Thule (“Es war ein König in Thule”)

    • 1
    • 2
    • 3
    • 4
    • 5
    • 6
    • 7
    • 8
    • 9
    • 10
    • 11
    • 12
    • 13
    • 14
    • 15
    • 16
    • 17
    • 18
    • 19
    • 20
    • 21
    • 22
    • 23
    • 24
    • 25
    • 26
    • 27
    • 28
    • 29
    • 30
    • 31
    • 32
    • 33
    • 34
    • 35
    • 36
    • 37
    • 38
    • 39
    • 40
    • 41
    • 42
    • 43
    • 44
    • 45
    • 46
    • 47
    • 48
    • 49
    • 50
    • 51
    • 52
    • 53
    • 54
    • 55
    • 56
    • 57
    • 58
    • 59
    • 60
    • 61
    • 62
    • 63
    • 64
    • 65
    • 66
    • 67
    • 68
    • 69
    • 70
    • 71
    • 72
    • 73
    • 74
    • 75
    • 76
    • 77
    • 78

    A-60(2) dated on the last page 29 Maart (Goede Vrijdag) 1907

    • 1907-03-29 00:00:00.0
    • location: Diepenbrock Archief Laren
    • pages: 78

21 apr 1907: Eerste uitvoering van Mignon en Der König in Thule door Pauline de Haan-Manifarges met het Concertgebouw-Orkest onder leiding van Willem Mengelberg, die voorts de ouverture Alceste van Gluck, de Unvollendete van Schubert en Tod und Verklärung van Richard Strauss dirigeert. Als laatste nummer voor de pauze wordt de Hymne an die Nacht voor alt en orkest door Diepenbrock gedirigeerd. In het programma is de volgende ongesigneerde, vermoedelijk door Diepenbrock geschreven toelichting tot de twee ballades van Goethe opgenomen:

De beide ballades van Goethe werden door Diepenbrock vele jaren geleden gecomponeerd (Mignon in 1884, Der König in Thule in 1886), en verschenen in druk bij Steyl und Thomas te Frankfurt a/M. voor zang met pianobegeleiding en werden op verzoek van Mevrouw de Haan-Manifarges onlangs door den componist geïnstrumenteerd voor klein orkest (No. 1 zonder fluiten en contrabassen, van het koper al­leen de hoorns, No. 2 eveneens zonder fluiten, maar met Contrabas­sen, Bazuinen, 1 Solotrompet en Pauken). — [...] Het hoofdmotief der 2e ballade is de phrase die bij den aanvang door een Soloalt wordt geëxposeerd. Het is een “herinneringsmotief” dat thematisch bewerkt wordt, tot zijn hoogste ontwikkeling geraakt in het tusschenspel tusschen het laatste en voorlaatste couplet, en in zijn eersten vorm weer terugkeert na de woorden: “tief ins Meer.” Het drukt de zielstoestand van den ouden koning uit: “gar treu bis an das Grab”. — De zangpartij gaat uit van den eenvoudigen verhalenden toon van het “Volkslied”, verheft zich tegelijk met de begeleiding tot sterkere dramatische accenten, en keert aan het eind weer tot den verhalenden toon terug. — Beide liederen worden heden voor het eerst in het publiek uitgevoerd.

Wilt gij 't gelooven, lezer, dat zij, voor wie het luisteren naar muziek “métier” werd, ook de oogenblikken kennen waarin zij muziek niet hooren kunnen, omdat hun gemoed vol is en hun geest geen afleiding begeert? [...] Waarom klonk de anders zoo bekorende welluidendheid van Schubert's Onvoltooide Symphonie mij lang, gelijk lang was dat aanhouden van de D vóór de toch zoo behaaglijk aandoende wending naar G-dur; lang eveneens de droomerige stemming in het Andante? Was ik minder gevoelig voor de fijne romantiek van Schubert? Minder ontvankelijk ook voor Goethe's poëtische balladen Mignon en Der König von Thule, al moest ik Diepenbrock's orkestrale zetting en den nobelen zang van mevrouw De Haan-Manifarges bewonderen? [...] Niets echter was gisteren in schoonheid te vergelijken met de Hymne an die Nacht (“Muss immer der Morgen wiederkommen”) van Novalis-Diepenbrock, die de alt-zangeres en het or­kest (ditmaal door Fiedler aangevoerd) onder de hoog te prijzen lei­ding van den componist gezongen hebben, ontroerend door het diep-innerlijke en verhevene der prachtig melodische sonoriteit!

Algemeen Handelsblad (S.Z. [= W.N.F. Sibmacher Zijnen]), 22 april 1907

pdf All reviews for RC 78 Der König in Thule (“Es war ein König in Thule”)